Structuur onderwijsbranche

Particulier Onderwijs
Bekostiging
Hoger Onderwijs
Bachelor-Masterstructuur (BaMa)
BaMa-systeem
HBO Wettelijke erkend
Middelbaar Beroeps Onderwijs (MBO)
Formeel onderwijs
Non-formeel onderwijs
Informeel onderwijs
Titulatuur


Particulier onderwijs
Een particuliere onderwijsinstelling is een instelling die niet door de overheid wordt bekostigd. Particuliere onderwijsinstellingen zijn er in het basis- en voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (MBO) en het hoger onderwijs (HO). Ook internationale en buitenlandse scholen kunnen onder het particulier onderwijs vallen.

Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) verstrekt geen financiële middelen aan particuliere scholen. Klanten van de particuliere instelling (ouders, studenten en/of werkgevers) betalen voor het onderwijs. Indien de instelling wettelijk erkend onderwijs aanbiedt kunnen studenten in aanmerking komen voor studiefinanciering (incl. OV-jaarkaart).

naar boven


Bekostiging
Aangewezen (particuliere) opleidingen worden niet door de overheid bekostigd. Het schoolgeld / collegegeld wordt door de deelnemer zelf, de verzorgers of soms de werkgever vergoed. Ofschoon de instelling geen overheidsfinanciering kent komt de deelnemer/student, indien aan de overige voorwaarden is voldaan, wel in aanmerking voor een tegemoetkoming in de studiekosten resp. studiefinanciering (incl. OV-kaart). Dit is aan te vragen bij de Informatie Beheer Groep (IBG) te Groningen.

naar boven


Hoger Onderwijs
Het Nederlandse hoger onderwijs bestaat uit hoger beroepsonderwijs (HBO) en wetenschappelijk onderwijs (WO). Dit heet een binair stelsel. Ongeveer tweederde van de studenten volgt een HBO-opleiding en één derde een WO-opleiding.
Een voltijdse HBO-opleiding duurt in principe vier jaar. Daarnaast zijn er deeltijdopleidingen. Sinds 1997 zijn er meer en meer HBO-studenten die studeren en werken afwisselen. Ze volgen dan een zogeheten duale opleiding.
Sinds 2005 bestaat er een tweejarige HBO-opleiding, de zogenaamde Associate Degree-opleiding. Een AD-programma maakt deel uit van een HBO-bachelor programma en heeft een opleidingsniveau tussen MBO-4- en HBO-bachelorniveau in. De Associate Degree is eveneens een wettelijk erkend diploma respectievelijk graad.

Om toegelaten te worden tot een wetenschappelijke opleiding is een vwo-diploma nodig. Ook een getuigschrift van het eerste jaar HBO (propedeuse) geeft toegang tot het WO. Voor het volgen van een hoger beroepsopleiding is een havo-diploma nodig. Ook een MBO-4-diploma geeft toegang tot het HBO. Voor de Associate Degree geldt dat een havo-diploma of een MBO-4-diploma nodig is om toegelaten te worden.

naar boven


Bachelor-masterstructuur (BaMa)
Sinds september 2002 kent het Nederlandse hoger onderwijs een Bachelor-Masterstructuur (BaMa). Studenten krijgen de graad van bachelor als ze een bacheloropleiding in het HBO (vier jaar voltijdse studie) of in het WO (drie jaar voltijdse studie) met succes afsluiten. Met de HBO-bachelorgraad is het mogelijk een beroep uit te oefenen. Veelal zullen HBO-bachelors er dan ook voor kiezen de arbeidsmarkt op te gaan. Als ze dat willen, kunnen ze hun studie voortzetten met een masteropleiding in het HBO of het WO.
De Bachelor-Masterstructuur (BaMa) is in 2002 ingevoerd om de opleidingen in het hoger onderwijs in Europa beter vergelijkbaar te maken. Heel Europa krijgt in 2009 een onderwijssysteem dat bestaat uit twee fasen: de bachelorfase en de masterfase. Voor Nederland betekent dit, dat alle opleidingen in het hoger beroeps onderwijs (HBO) zijn omgezet in bacheloropleidingen en alle opleidingen in het universitair onderwijs zijn omgezet in bachelor- en masteropleidingen.

naar boven


BaMa-systeem
In het BaMa- systeem worden studiepunten toegekend op basis van het European Credit Transfer System (ECTS). Dit systeem maakt internationale vergelijking mogelijk. Een studieprogramma van één jaar telt nu 60 ECTS. In het hoger beroepsonderwijs duurt een voltijdse bachelorfase vier jaar (studielast 240 ECTS), in het wetenschappelijk onderwijs drie jaar (voltijdse studie, studielast 180 ECTS) en een Associate Degree-programma twee jaar (studielast 120 ECTS). Na deze fase kan er gekozen worden om verder te gaan met een masteropleiding. Dit is een vervolgopleiding die, afhankelijk van de richting, één jaar of langer duurt.

naar boven


HBO Wettelijke erkend
Hoger onderwijsopleidingen kunnen wettelijk erkend zijn. De volgens de Nederlandse wet erkende opleidingen voor hoger onderwijs zijn opgenomen in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO). Hieraan zijn wettelijke graden en titels verbonden. Er zijn ook niet-wettelijk erkende opleidingen die een titel verlenen. Soms is dit dezelfde titel als bij erkende opleidingen (zoals Master). Deze niet-wettelijk erkende opleidingen kunnen zeker waarde hebben. Ze zijn alleen niet door de overheid beoordeeld.

naar boven


Middelbaar beroepsonderwijs (MBO)
Het middelbaar beroepsonderwijs bestaat in zijn huidige vorm sinds 1996. Voor die tijd waren er in Nederland twee vormen van secundair beroepsonderwijs: het leerlingwezen en het 'schoolse' beroepsonderwijs. Het leerlingwezen bood vakopleidingen in een groot aantal verschillende bedrijfstakken. Deze vorm van beroepsonderwijs was een combinatie van leren op school en leren in de praktijk. Het 'schoolse' beroepsonderwijs stamt uit de jaren vijftig. Toen werd begonnen met uitgebreid technisch onderwijs, bijvoorbeeld op de Middelbare Technische School (MTS). Later kwamen er ook andere richtingen bij, zoals economie (MEAO) en dienstverlening.
Met de invoering van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) in 1996 zijn het leerlingwezen en de scholen voor beroepsonderwijs samengevoegd in één onderwijsinstelling: het Regionaal Opleidingen Centrum, oftewel het ROC. Een ROC biedt ook volwasseneneducatie aan.
Het MBO kent twee verschillende leerwegen: De BeroepsOpleidende Leerweg (BOL) en de BeroepsBegeleidende Leerweg (BBL).
De mbo-opleidingen van de beroepsopleidende leerweg bestaan uit een praktijkdeel van tenminste twintig procent en minder dan zestig procent van de studieduur. Deze manier van opleiden wordt aangeduid met de term "mbo dagonderwijs".
De mbo-opleidingen binnen de beroepsbegeleidende leerweg bestaan uit een praktijkdeel van zestig procent of meer van de studieduur. Vroeger heette deze leerweg 'het leerlingwezen'.
Om aan een BBL-opleiding te kunnen beginnen, moet je een arbeidsovereenkomst hebben bij een werkgever, een leer(werk)baan: je werkt vier dagen per week en gaat in het algemeen één dag (of twee avonden) per week naar school.
Naast het Regionaal Opleidingen Centrum zijn er beroepsopleidingen zoals Agrarische Opleidingscentra (AOC's), vakscholen en een klein aantal andere instellingen. Een vakschool richt zich, in tegenstelling tot een ROC, op één beroepenveld. AOC's verzorgen opleidingen voeding, natuur en milieu.
Er zijn ook particuliere onderwijsinstellingen die wettelijk erkend onderwijs in deze opleidingen verzorgen. Dit zijn de zogenaamde aangewezen onderwijsinstellingen. Zij zijn vaak kleinschaliger georganiseerd en kenmerken zich door een intensieve vorm van onderwijs.

Een overzicht van alle BVE-instellingen is te vinden op de website van de MBO Raad, het koepelorgaan van de Regionale Opleidingen Centra en de vakscholen. De AOC's vallen onder de AOC Raad en de erkende particuliere instellingen worden vertegenwoordigd door PAEPON. De Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs (JOB) zet zich in voor de rechten van de MBO-ers en geeft advies en informatie.

naar boven


Formeel, non-formeel en informeel onderwijs
Wat zich op school afspeelt, wordt wel schools of formeel leren genoemd. De intentionele en systematische overdracht van kennis, vaardigheden en attituden (doorgaans met de nadruk op kennis), waarbij een leraar als kennisoverdrager optreedt en leerenden kennisontvanger zijn. Dit alles vindt binnen vaste, institutioneel gestructureerde grenzen van leeromgeving en tijd plaats. Daartegenover staat buitenschools leren, dat non-formeel of informeel kan zijn.

Met non-formeel leren wordt intentioneel georganiseerd, gestructureerd leren bedoeld, dat zich in een ander institutioneel verband dan de school afspeelt. Voorbeelden zijn te vinden in werkgerelateerd of ontplooiingsgericht leeraanbod, zoals in bedrijfsopleidingen en vormingswerk, en in sociale activeringsactiviteiten als klussenbus en zelfhulpgroepen.

Met de derde variant, informeel leren, wordt het leren bedoeld dat zich, min of meer spontaan, in contexten voordoet die niet expliciet rond leren georganiseerd zijn. Bijvoorbeeld: proefondervindelijk ontdekken dat je huisdieren niet moet knijpen, ruimtelijk inzicht krijgen door hinkelen of nintendo, de beginselen van het koken meekrijgen bij het helpen in de keuken, bij groepsactiviteiten doorkrijgen wat wel en niet sociaal acceptabel is, beroepsvaardigheden verwerven door op de werkplek van anderen de kunst af te kijken. In sommige gevallen kan bij informeel leren nog van een leerarrangement worden gesproken, omdat tot op zekere hoogte leren het doel is (intentioneel); vaak gaat het echter om incidentele en toevallige leerervaringen.

De grenzen tussen de drie leercontexten – formeel, non-formeel, informeel – zijn niet altijd scherp te trekken. Binnen elke categorie zijn schakeringen mogelijk. Dat geldt ook bij wat formeel schools leren genoemd wordt. Als hieronder schoolse en buitenschoolse
varianten tegenover elkaar worden gesteld, wordt met ‘schools leren’ het archetype van de meer uitgesproken traditionele soort bedoeld.

naar boven


Titulatuur
De titel die u mag voeren na het afronden van een opleiding in het hoger onderwijs, is afhankelijk van het tijdstip waarop u uw studie bent begonnen. Sinds 1 september 2002 is de Bachelor-Masterstructuur (BaMa) ingevoerd om de opleidingen in het hoger onderwijs in Europa beter vergelijkbaar te maken. Hierdoor is ook de titulatuur aangepast.
Hieronder kunt u nagaan welke titel u mag voeren na het afronden van een bepaalde opleiding in het hoger onderwijs.
Opleiding Titel, vóór invoering BaMa Titel, na invoering BaMa
HBO-bachelor Na 4 jaar baccalaureus (bc.) of ingenieur (ing.) of Bachelor, evt. gevolgd door vakgebied Na 4 jaar Bachelor (B) gevolgd door vakgebied (maar geen "Science" of "Arts") of bc. / ing.
HBO-master n.v.t. Master (M) gevolgd door het vakgebied (de toevoeging bepaalt het instellingsbestuur) maar geen "Science" of "Arts"
WO-bachelor Vergelijkbaar met kandidaats-getuigschrift Na 3 jaar Bachelor of Arts/Science (BA/BSc), afhankelijk van de opleiding.
WO-master Doctorandus (drs.), meester (mr.),  ingenieur (ir.) of Master (M), evt. gevolgd door vakgebied Doctorandus (drs.), meester (mr.),  ingenieur (ir.) of Master of Arts/Science (MA/MSc), afhankelijk van de opleiding
WO-master volgend op afgeronde wO-master (voorheen postdoctoraal)  Master (M) gevolgd door vakgebied. Master (M) gevolgd door vakgebied, maar geen "Arts" of "Science".

Voor de internationale geldigheid van uw diploma maakt het niet uit of u de internationale of Nederlandse titel voert. Deze keuze kunt u zelf maken. Dus afhankelijk van waar u zich presenteert, kunt u kiezen voor de Nederlandse of de buitenlandse titel. Het is niet mogelijk beide titels tegelijk te voeren.
U geeft in uw naam uw titel weer door de afkorting te gebruiken. De volgende titels plaatst u voor uw naam:
• bc.
• ing.
• drs.
• mr.
• ir.
De overige titels plaatst u achter uw naam.

naar boven